Concert 21 april

HET GLOORT IN HET OOSTEN

NIEUW ENSEMBLE

Naomi Sato – shô
Harrie Starreveld – fluit/shakuhachi
Ernestine Stoop – harp
Frank Brakkee – altviool
Herman Halewijn – slagwerk

Het Nieuw Ensemble ontstond in 1980. De basisbezetting bestaat uit twaalf musici, tokkelinstrumenten behoren tot de vaste kern. Het ensemble heeft een geheel eigen repertoire van ongeveer vijfhonderd stukken. Onder leiding van chef-dirigent Ed Spanjaard heeft het Nieuw Ensemble zich ontwikkeld tot een internationaal toonaangevend ensemble voor hedendaagse muziek. Geprezen om zijn baanbrekend werk op het gebied van programmering en repertoirevernieuwing onderneemt het Nieuw Ensemble een grote diversiteit aan activiteiten. Per jaar geeft het ensemble veertig tot vijftig concerten in de gehele wereld. Ditmaal hoort u ze in kleine bezetting.

Het Nieuw Ensemble richt zich al 20 jaar op het Verre Oosten: het is kind aan huis in China en werkt intensief samen met componisten en musici uit heel Azië. Het geluid van de shô, het eeuwenoude Japanse mondorgel, kleurt prachtig met dat van de fluit en de harp. Dit intieme kamermuziekprogramma biedt een staalkaart van vervoerende, vaak magische muziek die vandaag in het Oosten, in China, Taiwan en Japan wordt gecomponeerd.

PROGRAMMA

  • Anoniem                                Tsuru no sugomori
    .                                               
    voor shakuhachi solo
  • Toshio Hosokawa *1955       Utsurohi (1986)
    .                                                voor shô en harp
  • Qin Wenchen *1966                Sounds, arousing memories (2013)
    .                                                voor fluit, shô, harp en percussie
  • Tan Dun *1957                         In Distance (1987)
    .                                                 voor piccolo, harp, slagwerk

.                                         pauze

  • Shih-Wei Lo *1985                   Timelapse/Gesture (2011)
    .                                                  voor altviool solo
  • Toru Takemitsu 1930- 1996     And then I knew ‘twas wind … (1992)
    .                                                  voor fluit altviool en harp

PROGRAMMATOELICHTING

Toshio Hosokawa (1955), Japans componist, begon zijn muzikale carrière met pianospel op 4-jarige leeftijd. Zijn muziekgevoel kreeg hij mee van zijn moeder, een verdienstelijk bespeler van de koto. Hijzelf vond de klanken van de koto te eentonig en saai en wendde zich tot muziek van Mozart, Beethoven, Bach en Schubert. Op 16-jarige leeftijd ging hij studeren in Tokio en bezocht daar ook concerten. Voor hem ging een nieuwe wereld open toen hij tijdens een concert muziek hoorde van Isang Yun, de Koreaanse componist, die toen over de gehele wereld furore maakte. Hij was zich toen onvoldoende bewust van de muzikale ontwikkeling van de Oosterse klassieke muziek en kon via Yun de weg naar de meer oudere muziek van China, Japan en Korea terugvinden. Ook muziek van Olivier Messiaen en Toru Takemitsu lieten sporen achter. Hij ging vanaf 1976 bij Yun studeren, in Berlijn aan het Universiteit van de Kunsten in Berlijn.

Vanaf 1983 tot 1986 kwam een vervolgstudie aan de Hochschule für Musik Freiburg bij Brian Ferneyhough en Klaus Huber. Deze laatste gaf hem in 1985 de gelegenheid zich een half jaar te verdiepen in de traditionele Japanse muziek zoals de shōmyō en gagaku. Zijn opleidingachtergrond leidde naar composities, die een mix vormen tussen de traditionele Japanse muziek en de Europese klassieke muziek van de 20e eeuw. Hosokawa vergelijkt muziek met kalligrafie, schrijfkunst tegenover de achtergrond; muziek is geluid tegenover de stilte. Een deel van zijn vroege composities heeft de componist vernietigd.

Enige ophef veroorzaakte Hosokawa door tijdens de Darmstadt-muziekcursus van 2006 te beweren, dat Oosterse muziek uit het hart kwam en Westerse muziek uit het hoofd. Zelfs zijn leraar Huber was het daarmee geheel oneens.

In de loop der jaren ontving hij prijzen voor zijn muziek, zowel in Duitsland als in Japan. Hij is huiscomponist geweest van het Tokyo Symfonie Orkest; directeur van muziekfestivals, gastdocent aan de Universiteit en schreef verhandelingen over muziek.

Wenchen Qin (achternaam: Qin) (1966) werd geboren in Erdos, Inner Mongolia, China, waar hij al op vroege leeftijd les had in Chinese traditionele muziek. In 1987 ging hij naar het Shanghai Conservatory of Music om compositie lessen te volgen bij Xu Shuya en Zhu Jianer. In 1992 studeerde hij af en ging lesgeven aan het Central Conservatory of Music in Beijing. In 1998 kreeg hij een DAAD-beurs om naar Duitsland te gaan en verder te studeren aan de Folkwang Hochschule in Essen, waar hij met onderscheiding afstudeerde in 2001 bij Nicolaus A. Huber. Qin keerde terug naar Beijing in 2001. Thans geeft hij les aan het Central Conservatory of Music en componeert hij voor een groot aantal internationale opdrachtgevers.

 Tan Dun (1957) werd geboren in het dorp Simao, Changsha in de provincie Hunan in China. Als kind was hij gefascineerd door de rol van de shimao in het dorp, die rituelen en officiële gebeurtenissen verrichtte, vaak op muziek gemaakt met voorwerpen uit de natuur, zoals rotsen en water. Te midden van de Culturele Revolutie in die tijd werd er echter neergekeken op zulke ouderwetse gewoontes. Dun werd als rijstplanter naar een staatscommune gestuurd.

Zijn liefde voor muziek werd hierdoor echter niet minder. Hij stelde zijn eigen muziekgroep samen, gebruikmakend van de boeren in het dorp en van waar ze maar op konden spelen, soms niet veel meer dan potten en pannen. Het kwam door deze boeren dat hij de traditionele Chinese snaarinstrumenten leerde bespelen. Hij kon wegkomen uit de commune door een door de staat georganiseerde reizende groep van de Opera van Peking. Toen een vrachtwagen vol opera-artiesten in de buurt van de commune verongelukte, waarbij velen om het leven kwamen, werd Tan Dun in dienst genomen door de groep. Vanuit die groep ging hij naar het Conservatorium van China waar hij onder anderen studeerde bij Toru Takemitsu, die hem sterk beïnvloedde.

In 1985 verhuisde Tan Dun naar New York City als doctoraalstudent aan de Columbia-universiteit, waar hij compositie studeerde bij Chou Wen-chung, die weer gestudeerd had bij Edgard Varèse en deze ook had geassisteerd. Het was daar dat Tan de muziek van experimentele muziek ontdekte van musici als Philip Glass, John Cage, Meredith Monk en Steve Reich. Hij besefte geleidelijk dat hij al deze invloeden in zijn eigen muziek kon opnemen: zijn jeugd in Hunan, zijn klassieke opleiding aan het conservatorium en de hedendaagse experimentele componisten in New York.

Tan Dun over In Distance:

I called this piece In Distance because it was a kind of questioning of myself. On the simplest level, there is a wide distance between each of the instruments in register, timbre, and dynamics. Then, even though I used three western instruments, the music is often very far from the way these instruments might usually sound. The piccolo is treated more like the Chinese bamboo flute, the harp is treated like the koto, and the bass drum is made to sound like Indian drums, played only with palms and fingers. A third meaning can be heard in the texture of the music, which is very open with lots of space, as I began to use rests as a kind of musical language. Finally, I explored the distance, even the conflict between atonal writing and folk materials. Written just after I arrived in New York, I began to see myself within the clarity of distance.

Shih-Wei Lo (1985), geboren in Pingtung, Taiwan, studeert momenteel bij Juan Pampin en Richard Karpen aan de University of Washington; Eveneens heeft hij les van Ching-Wen Chao en Kris Falk. Een paar van zijn belangrijkste werken zijn: Things Hoped For, Things Unseen, Timelapse/Gesture, Samsara in Sound en The Voyage.

Toru Takemitsu (1930-1996) Japans componist kreeg interesse in westerse muziek tijdens de Tweede Wereldoorlog tijdens het herstel van een langdurende ziekte. Hij hoorde in het ziekbed klassieke muziek van een Amerikaanse militaire omroep. Hij luisterde ook naar jazz uit de platencollectie van zijn vader. Na de Tweede Wereldoorlog besloot hij componist te worden en in 1948 studeerde hij bij Yasuji Kiyose. Maar vooral heeft hij zich als componist autodidactisch verder ontwikkeld. Hij was erg onder de indruk van de muziek van Claude Debussy en Olivier Messiaen en dat had ook invloed op zijn manier van componeren. In 1950 ging zijn werk Lento in Due Movimento voor piano in première. Al vroeg was hij in vele niet-muzikale kunsten geïnteresseerd, zoals moderne schilderij, literatuur (vooral gedichten), theater en film. In 1951 stichtte hij, samen met andere componisten en kunstenares vanuit verschillende kunstrichtingen, de groep Experimentele werkplaats, een soort mixed media groep, die al spoedig voor hun avant-gardistische multimediale activiteiten bekend werd.

De eerste grote openbare bekendheid als componist kreeg Takemitsu aan het eind van de 1950er jaren met zijn Requiem voor strijkers (1957). Zijn interesse aan verschillende artistieke uitdrukkingsvormen en zijn autodidactische ontwikkeling waren griften voor zijn avant-gardistische stijl. Hij benutte al in 1950 een geluidsband om uit reële klanken (musique concrète) muziekcollages te creëren, bijvoorbeeld Water Music (1960) en Kwaidan (1964).

In de vroege 1960er jaren vonden twee nieuwe elementen ingang in Takemitsu’s muziek: de traditionele Japanse muziek en de natuur. Aanvankelijk had hij maar weinig interesse in traditionele Japanse muziek, maar vanaf het midden van de 1960er jaren vinden wij instrumenten zoals shakuhachi en biwa in de orkestreering van werken, bijvoorbeeld November Steps (1967) voor shakuhachi en biwa solo en orkest, Eclipse, (1966) voor shakuhachi en biwa en Voyage (1973), voor drie biwas. In an Autumn Garden (1973-79) is gecomponeerd voor een orkest, dat gagaku (traditionele muziek aan het Keizerlijk hof) speelt. In ARC I (1963) voor orkest en A Flock Descends into the Pentagonal Garden (1977) voor orkest vindt men werken met een sterke betrekking op de natuur. Voor de Expo ’70 te Osaka was hij muzikale leider van een theaterproject Space Theater of Street Pavillon.

In zijn vroege werken is de invloed van Arnold Schönberg en Alban Berg te horen, maar de Franse compositiestijl, bijzonder die van Claude Debussy, zijn de basis voor de meeste van zijn werken. Takemitsu had ook veel interesse voor jazz, chanson en popmuziek (12 songs for Guitar) en hij schreef als een uitgesproken film-fan ook 93 filmmuziekwerken.

Hij was docent voor compositie aan de Yale-universiteit in New Haven, Connecticut en werd door vele universiteiten in de Verenigde Staten, Canada en Australië als docent of Composer-in-Residence uitgenodigd. Takemitsu werden talrijke prijzen en onderscheidingen toegekend, zoals de UNESCO-IMC Music Prize in 1991 en met de Universiteit van Louisville Grawemeyer Award for Music Composition in 1994.

DE MUSICI 

Naomi Sato (1975) werd geboren in Tokio en studeerde shô bij Ko Ishikawa en saxofoon bij Nobuya Sugawa aan de Tokyo National University of Fine Arts and Music, bij Arno Bornkamp in Amsterdam en bij Claude Delange in Parijs.  Eveneens studeerde ze improvisatie en compositie aan het Conservatorium van Amsterdam. Ze heeft samengewerkt met vele componisten en instrumentalisten, en speelde in Japan, Nederland, Frankrijk, Duitsland, Denemarken en Luxemburg met diverse ensembles: Duo X-Project, haar improvisatietrio Karooshi (sax, harp, contrabas) en Vlinder Vangers (shô, elektronica).

Harrie Starreveld (piccolo/fluit/basfluit) studeerde dwarsfluit bij Koos Verheul aan het Conservatorium van Amsterdam. Hij maakt sinds 1982 deel uit van het Nieuw Ensemble. Wereldwijd geldt Starreveld als een van de toonaangevende specialisten op het gebied van hedendaagse fluitmuziek. Hij werkte samen met de componisten Elliott Carter, George Crumb, Jonathan Harvey, Theo Loevendie, Brian Ferneyhough en Franco Donatoni en met dirigenten als Hans Vonk, David Porcelijn, Reinbert de Leeuw, Ernest Bour, Lucas Vis, Arturo Tamayo en Lev Markiz. Ensembles waarmee hij regelmatig speelt zijn Trio d’Amis, Trio Légende en Het Trio. Sinds 1980 is hij hoofdvakleraar fluit aan het Conservatorium van Amsterdam; tevens is hij professor aan de Hochschule in Bremen. Hij gaf masterclasses in Spanje, Korea, Amerika, Taiwan, Engeland, Oostenrijk en Rusland. Starreveld is gespecialiseerd in Aziatische muziek: hij bespeelt de Chinese fluit en de Japanse shakuhachi, improviseert op Noord-Indiase raga’s, en volgt lessen bij de Zen boeddhist Ikkei Hanada.

Ernestine Stoop (harp) behaalde in 1980 haar solodiploma bij Edward Witsenburg aan het Conservatorium van Amsterdam. Daarna studeerde zij bij Pierre Jamet in Parijs en kamermuziek bij de violist Sandor Végh in Salzburg. Ernestine Stoop is sinds 1982 harpiste van het Nieuw Ensemble en gedurende elf jaar was zij verbonden aan het Radio Filharmonisch Orkest. Daarnaast maakt zij deel uit van het Asko Ensemble en vormt ze een duo met de fluitiste Eleonore Pameijer. Stoop initiëerde twee Europese Harp Symposia in Amsterdam 1995 en 2001 en liet een 16e toons ‘Carillo harp’ bouwen, naar ontwerp van de Mexicaanse componist Juan Carillo. Solistisch trad Ernestine Stoop op met dirigenten als Hans Vonk, Ernest Bour, Ed Spanjaard, Ton Koopman, Jean-Jacques Kantorow en David Porcelijn. Ze werkte samen vele componisten, onder wie Kagel, Yun, Carter, Loevendie, Andriessen, Janssen en Donatoni. Stoop is hoofdvakdocent aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag en aan de Hoge School voor de Kunsten in Tilburg.

Frank Brakkee (altviool) is sinds 1993 aan het Nieuw Ensemble verbonden. Daarnaast is hij solo-altist van het Radio Filharmonisch Orkest. Bovendien is Brakkee sinds 2002 de vaste altist van het Franciscus Kwartet. Op die manier bestrijkt hij het hele repertoire voor altviool, niet alleen qua muziekgeschiedenis, maar ook qua bezetting (solo, kamermuziek, ensembles en orkesten). Ook staan de belangrijkste soloconcerten op zijn speellijst. Frank Brakkee studeerde in Utrecht bij Nobuko Imai, Prunella Pacey en Ron Ephrat en sloot zijn studie cum laude af. Daarnaast volgde hij masterclasses bij Tabea Zimmermann, Thomas Riebl en Isabelle van Keulen.

Herman Halewijn (slagwerk) studeerde aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag bij Frans van der Kraan en Wim Vos. Daarnaast volgde hij masterclasses ‘niet-westerse ritmiek’ bij Bob Becker. Sinds 1983 behoort hij tot de vaste kern van het Nieuw Ensemble. Halewijn is veelvuldig te gast bij vooraanstaande ensembles voor hedendaagse muziek in binnen- en buitenland zoals het Asko/Schönberg Ensemble, de Slagwerkgroep Den Haag, de Ebony Band en Das Neue Ensemble in Hannover. Als paukenist is hij bovendien regelmatig te vinden in verschillende barokorkesten zoals Concerto d’Amsterdam en de Utrechtse Domcantorij.